De weegbrug
Mijn overgrootvader Kees Mol was als rijke boerenzoon geboren, maar door niet zo verstandig gedrag van zijn vader was hij toen hij trouwde paardenknecht op Hollands Hoeve. Hij woonde op de Zandplaete. Daar stonden twee arbeidershuisjes tussen de Lageweg en de Noorddijk. In 1865 werd daar mijn opa Johannes Mol geboren. In 1866 stierf zijn moeder als gevolg van de laatste cholera epidemie in Nerderland. Bepaald geen gelukkige start. In 1898 trouwde hij met Pieternella Zoetje Verwijs. Zij gingen wonen in het eerste dijkhuisje, gerekend vanaf de haven, langs de Oostdijk. Dat was een huisje met aan de Oostdijk alleen een blinde muur van plm. een meter hoog. Alleen aan de achterkant dus ramen.
Donker, in die tijd nog geen waterleiding of elektriciteit. In dat huisje werden eerst een zoon (de latere Kees Mol de groenteboer) en twee dochters geboren. En toen in 1895 weer een zoon, Willem. De medische verzorging was in die tijd ook nog niet bijzonder, met als gevolg veel kindersterfte. Willem de eerste overleed in 1896. In 1900 werd de tweede Willem geboren. Het ventje stierf al na een maand. En toen als slot in 1903 de derde Willem, mijn vader. Ook hij was niet erg sterk. Op twaalfjarige leeftijd moest hij op het land gaan werken. Dat ging niet zo goed. Hij was veel ziek. Op zijn zeventiende belandde hij op bed. Tuberculose. In die tijd een vrijwel ongeneeslijke ziekte. Drie jaar lag hij op bed. Op zijn twintigste werd hij genezen verklaard. Al snel realiseerde hij zich dat landarbeid lichamelijk niet meer mogelijk zou zijn. Hij ging dus studeren. Praktijk diploma boekhouden en Engelse en Nederlandse handelscorrespondentie. Toen hij zijn bed kon verlaten was hij invalide, zijn aangetaste heup was totaal vergroeid en zijn ene been was zes centimeter korter dan het andere. Het aantal administratieve banen in St. Philipsland was ongeveer nihil. Het dorp en zijn ouderlijk huis verlaten was in die tijd voor hem ondenkbaar. Wat nu te doen? Net in die tijd kwam de functie van weger vrij. Hij solliciteerde en werd aangenomen. In 1923. Tot 1968 zou hij in functie blijven. Naast de weegbrug had mijn vader nog drie andere banen en een zevental bijbaantjes.
Een ijverige en zeer stipte man die in al de administraties die hij voerde vrijwel nooit fouten maakte. Hij werkte zes dagen per week en heeft nooit echt vakantie gehad. Toen hij in 1968 met pensioen ging heeft het bestuur van het Waterschap De Prins Hendrik Polder hem gevraagd of hij tot de opsplitsing van het Waterschap als ontvanger- griffier in dienst wilde blijven. Die splitsing heeft nog even op zich laten wachten, daardoor is mijn vader nog een hele poos na zijn vijfenzestigse actief gebleven. Hij had dus veel banen maar dat van weger stond voorop. Hij was zijn hele leven “Wullem de weger”. Het beroep van weger leverde een enorme binding op. Behalve bij de graan- en de bietenoogst hoefde mijn vader niet constant op de weegbrug te zijn. In de tijd van de graanoogst ging het soms door van vier uur ’s-morgens tot tien uur ’s-avonds.
Dat zou de ARBO wetgeving in deze tijd niet meer toestaan. De rest van het jaar was er echter altijd de verplichting om zes dagen per week beschikbaar te zijn. Op de meest ongeschikte tijden van de dag moest er gewogen worden. Dikwijls als mijn moeder net het eten had opgeschept of op het moment dat mijn vader al in zijn pyjama stond. De weegbrug was voor mijn vader ook een uitzichtpunt. Via het kleine raampje aan de havenkant kon hij het komen en gaan van de schepen goed in de gaten houden. Dat was voor hem als havenmeester en als penningmeester van Schuttevaer erg gemakkelijk. Ook kon hij mij een beetje in de gaten houden. Ik speelde graag dijkenbouwer, Vele tientallen malen heb ik, met afgaand water, het stroompje van de Slaakdam naar de haven afgedamd. Voor mijn moeder was dat erg griezelig. Ze had sinds het verdrinken van haar kleine broertje Cent een grote angst voor het water. Helaas heb ik door die angst nooit goed leren zwemmen. Ook speelde ik veel, samen met mijn vriendje Rienus Filius, op de vuilnisbelt achter de kaojedam. Voor de jeugd van nu een ondenkbare activiteit. Tot grote ergernis van veel dorpsgenoten hebben we een aantal keren de vuilnisbelt in brand gestoken. Met alle rookontwikkeling die daar bij hoorde.
Mijn vader haalde me dan onmiddellijk weg. Voor mij als kind was de weegbrug mijn tweede thuis. Het was daar altijd een komen en gaan. In de eerste plaats de mensen van de coöperatie. De zaakvoerders, eerst Japje Quist later zijn broer Bas en vanaf 1953 Willem Beurkens, kwamen informeren hoeveel er die dag was binnengekomen. Van deze mannen heeft mijn vader veel vriendschap en medewerking ontvangen. De voorman van het “pakuus” Johannes Kaashoek was iemand waarmee mijn vader het ook erg goed kon vinden. Een man met een groot hart, die ondanks alle tegenslagen in zijn leven altijd opgewekt bleef. Maar naast de mensen die beroepshalve de weegbrug binnenkwamen waren er veel dorpsgenoten die zo maar eens binnen kwamen lopen voor een praatje. Maar veel meer dan in de weegbrug was de bank aan de havenkant van de weegbrug de ontmoetingsplaats van het dorp. Voor de bouw van het praathuis bij de molen had de weegbrug die functie gedurende de gehele periode dat mijn vader weger was. Via het openstaande raampje heeft mijn vader veel discussies aangehoord. Twee gesprekken, van ver voor de oorlog, heb ik altijd onthouden. De ene ging over de ruzies binnen de elektriciteitsvereniging.
Om de armoede te ontlopen kon men in Rotterdam nieuwe werkgDie vereniging zorgde vanaf 1923 voor de elektriciteit van het dorp. De spreker zei tegen een van de bestuursleden, dat er met al die ruzies in de vereniging veel zonde gedaan werd. Waarop het bestuurslid antwoordde: “Als ik niet meer zonde had dan van de vereniging kwam ik op een stoel boven in de hemel”. Daar had de spreker geen antwoord op. Een andere opmerkelijke ging over de vraag of ermensen op de maan woonden. De meningen waren verdeeld. Tot één de opmerking maakte: “Er kunnen geen mensen op de maan leven, want waar moeten zij hun doden begraven” ? Op deze diepzinnige vraag had niemand antwoord. Maar meestal ging het over de gewone dingen van het leven; het weer, de stand van de gewassen, ziekte, de buurman enz. In de tijd van de oorlog en de ramp waren dat natuurlijk de gespreksonderwerpen. Kortom, vele tientallen jaren was de weegbrug de ontmoetingsplaats van het dorp. Voor mij en veel oudere dorpsgenoten zou het zeer jammer zijn als dit sociale monumentje afgebroken wordt. Ik hoop dat de heemkundevereniging dat kan voorkomen.
