De zilveruienteelt

Ik herinner mij, dat ik als schooljongen van 10, 11 jaar en ook later, mee moest naar “de juun”. Niet dat ik dat leuk vond, maar het was meer een vanzelfsprekendheid, want mijn schoolmaatjes gingen ook. In het voorjaar moest je na schooltijd – soms ook ervoor- en op zaterdag helpen met het onkruid wieden. Later in het jaar, tijdens de grote vakantie, dan ging het pas echt beginnen. De uitjes moesten dan de grond uit. We moesten helpen met het rooien, ‘junen’, zo werd het genoemd. Het was echt een familiegebeuren, waarbij het gehele gezin in de weer was, zeker bij het rooien. Er werd tijdens het rooien hard en lang gewerkt, want het was slechts een korte periode van 5 á 6 weken dat iets extra’s kon worden verdiend. De meeste mannen werkten toen nog bij de boeren op het land en de vrouwen deden het huishouden. Het weekloon was niet hoog en seizoenwerk waarbij vrouwen en kinderen konden worden ingeschakeld, was een mogelijkheid voor wat extra inkomen om voor de kinderen nieuwe kleren te kunnen kopen of dingen voor in het huishouden of voor de wintervoorraad kolen. Andere vormen van dergelijke seizoenarbeid waren bessen, appels en peren plukken in de boomgaard van Chris Wisse en aardappels rapen achter de rooier. Ook hielpen kinderen wel bij het loof afhakken van de suikerbieten.
Door Bram Quist
Ik wil nu beschrijven wat ik me nog van het werken op de juun kan herinneren. Dat is dus de situatie vanaf de jaren vijftig in de vorige eeuw. Ik zal hier en daar ook een uitstapje maken naar de periode vóór mijn tijd. Voor die informatie heb ik gebruik gemaakt van een krantenartikel van Jan Kempeneers uit 1986. Fluplandse bakker ging pionieren met zilveruien Vanaf rond 1900 tot in de vijftigerjaren werden in Flupland en de Polder handmatig zilveruien geteeld en geoogst. Dit werd niet door de boeren zelf gedaan, maar door commissionairs die percelen land huurden van de boeren. Abraham de Ruijter was aanvankelijk bakker in de Achterstraat. Hij was de eerste die contact legde met iemand uit de conservenindustrie en de teelt van zilveruien ter hand nam. Eerst beperkt, maar toen na een aantal jaren bleek dat er steeds meer vraag naar het witte goedje kwam, legde ook zijn zoon Pieter het bakkersvak neer. 
Hij werd op Flupland de doorbreker in de teelt van zilveruien. Later ook zoon Bram. De naam De Ruijter en zilveruien werd een begrip voor Sint Philipsland. Tientallen jaren droeg de teelt op Flupland en de omliggende plaatsen bij aan deze economische facelift voor de bevolking. De familie De Ruijter werkte in commissie eerst voor de firma De Koeijer, later voor de firma Speijer Brothers en Van de Vijver. Deze firma was veruit de grootste. Speijer behoorde tot een Joodse familie en is in de Tweede Wereldoorlog via Engeland naar de Verenigde Staten gevlucht. Van de Vijver had een conservenfabriek in Rijsburg en sloot zich bij de eerste aan. Meerdere kleine commissionairs in landbouw- producten gingen na deze oorlog en na de Ramp op kleinere schaal zilveruien telen. Dat waren o.a. Cent de Braber, Kees Kosten, en Marien Reijngoudt. De commissionair ging vanaf begin april de gehuurde perscelen bewerken, zodat de vroegste uitjes, bij gunstig weer, konden worden ingezaaid. Kort daarop werden ook op overige kavels de uien gezaaid. Vanaf mei verschenen de vrouwen, meisjes en schoolverlaters, onder toezicht van een opzichter, voor ons begrip een “juunbaes”, op het land om kavel voor kavel van onkruid te zuiveren. Naast elkaar op de knieën zittend, werd het onkruid met een puntmesje van tussen de uienplantjes weggehaald. Soms waren dat wel groepen van zo’n 25 tot 30 personen. Zacht schoeisel was een van een van de voorwaarden om op het veld toegelaten te worden. Schoolverlaters, ze waren soms nog maar een jaar of veertien, waren wel eens geneigd om met elkaar te ravotten, maar dat was funest voor de jonge plantjes. De ‘juunbaes’ maakte daar snel een einde aan. Wie niet luisteren wilde mocht het veld verlaten. 
De Ruijter had op de duur zoveel uien, dat ook nog een groep mannen werd ingezet om het onkruid te onderdrukken. Kreeg het onkruid de overhand, dan verstikten de uienplantjes. Juist daarom bleef het wieden soms doorgaan tot kort voor de oogst. De mannen gingen tegen de oogst nog wel eens lopend over de velden om de grote onkruidplanten te verwijderen. Het wieden duurde tot de oogst van de vroege uitjes aanbrak. Later kon ook individueel of met twee personen bij de telers een bepaalde oppervlakte worden aangenomen om deze onkruidvrij te houden, bijv. één of een half “gemet” per persoon. (een gemet is 4000 m²) De huurder had dan de plicht zijn areaal vrij te houden van onkruid en ontving daarvoor de overeengekomen som. Het onkruidvrij houden was een uiterst nauwkeurig karwei, wat daarom veelal door vrouwen en (hun) kinderen werd gedaan, vanwege de fijnere motoriek dan die van hun mannen en vaders met hun dikke en stijve werkmanshanden. De plantjes stonden dicht opeen en het onkruid (vuulte) groeide ertussen. Met een aardappelschilmesje werd het onkruid voorzichtig van tussen de plantjes gehaald. Om de knieën te beschermen droegen de wied(st)ers kruiplappen.  
Tegen de tijd dat de zilveruien volgroeid waren en geoogst konden worden, kregen de wied(st)ers het afgesproken bedrag uitbetaald. Dan was het inmiddels juli, augustus geworden en brak de oogsttijd aan. Het was als het ware een feest voor de inwoners van Flupland en de Polder Bij het oogsten kwamen vooral vrouwen, al dan niet vergezeld van hun kinderen in touw. Ook waren er landarbeiders die van de boer vrijaf kregen om te helpen oogsten. In het begin van de oogstperiode werd een korte schrabber gebruikt, waarbij men zittend op de knieën een handvol loof vastpakte en met de schrabber in de andere hand de uien uitschoffelde. Vervolgens werd de schrabber even terzijde gelegd en werden de uien van het loof losgedraaid en in een mand of emmer gedeponeerd. Was de mand vol dan werd hij achter de rooier leeggekiept en ontstond er gaandeweg een meterslange sprei van zilveruien. De uien werden enigszins gespreid, zodat ze konden drogen. In mijn herinnering zie ik nog al die tientallen mannen, vrouwen en kinderen, naast elkaar op hun knieën kruipend, ieder zijn eigen strook (jooie) van één á anderhalve meter breed, met uien oogsten. Horren In het begin van de jaren ’30 van de vorige eeuw werden de uien in plaats van op sprei, op horren van circa een bij twee meter geworpen. Daar werden houten blokken of groenteblikken onder gezet, zodat ze van onderuit konden drogen. De juunbaes kwam dan regelmatig langs met de opdracht dat de juun omgezet moest worden. Was de wind er weer lekker doorheen gegaan dan waren de juuntjes opgedroogd. Nadat er enige dagen was gerooid en de uien droog genoeg waren, werden ze in zakken gedaan (gebaald). Na zo’n paar dagen kon de commissionair ongeveer bepalen wat de kilo-opbrengst van de blok uien zou kunnen zijn en de werknemers konden inschatten wat ze konden verdienen. Dat was het moment waarop de commissionair met een aantal vertegenwoordigers van de werknemers ging onderhandelen over de kiloprijs die de werknemers kregen voor de gerooide uitjes. Het loon wat de mensen per baaltje kregen kon dus bij het verhuizen naar een andere kavel weer veranderen. Aanvankelijk moest je de uitjes die je had opgebaald zelf naar de bascule dragen of slepen. Daar werden ze gewogen. Aanvankelijk kreeg men voor elk zakje afgeleverde uien een rond houten blokje en later een lichtmetalenpenning, voor elk afgeleverd baaltje. De blokjes of penningen konden vervolgens op zaterdagmiddag worden ingeleverd. Dat gebeurde in de schuur van De Ruijter tegenover zijn woning in de Achterstraat. In de deuropening was een lange tafel geplaatst waarachter een vijftal mensen had plaats genomen. 
Bij de eerste werden de ontvangen penningen ingeleverd. De volgende personen berekenden het loon en door de twee laatste personen volgde de uitbetaling. Dat was voor de Fluplanders en de gezinnen in Anna Jacobapolder en op de Sluis, vooral in de vooroorlogse jaren, het hoogtepunt van de week. Er kon weer betaald worden. In tientallen winkeltjes en bij slagers en bakkers konden in de juuntied de achterstallige winkelbriefjes worden afbetaald. Vooral de grote gezinnen hadden het in de wintermaanden erg moeilijk. De winkeliers wisten dat, maar ze wisten ook dat ze zouden betalen. Terug naar het land. Tijdens de werkzaamheden werd er af en toe even gepauzeerd. Naast de reguliere schaft-tijden van negen uur tot half tien en tussen de middag van 12 uur tot half twee, als de middagmaaltijd thuis werd genuttigd, was er ongeveer om het uur een korte pauze om op adem te komen. De vrouwen gingen – als het niet te ver was – tussen de middag een half uurtje eerder naar huis om de aardappels op te zetten. De groente en de saus werd de avond ervoor al klaargemaakt. 
Door een van de oudere werknemers werd tussendoor met het sein: “koppen op ôôôr!!!” aangegeven dat men de schrabber of de riek neer moest leggen. Een korte schafttijd volgde dan om even een versnapering (een stukje zoete koeke) en iets te drinken. Iedereen had wel een fles koude thee of koffie bij zich. Was het na zo’n minuut of tien weer tijd om te beginnen dan riep dezelfde persoon met de hand aan zijn mond: “begin mèr ôôôr!!!”. Naast het harde werken is het vooral ook de gezelligheid onder elkaar die in onze gedachten gebleven is. Met de brede riek Naarmate de tijd verstreek, stierf het loof meer en meer af en kon niet meer met de schrabber worden geoogst. Dan werden de uien met een plat aardappelriekje met korte steel losgewoeld en opgeraapt. In de loop van de jaren ’50 trad er als gevolg daarvan een verruwing op bij het rooien. Van aardappelrieken, waarmee de piepers aan de hoop werden opgeschept, werden door de smid brede platte rieken gemaakt. De bolle uiteinden werden plat en scherp gesmeed en de holle riek waarin de aardappels bleven liggen werden plat geslagen. Voortaan ging men al vanaf het begin van de oogst de pijpen afmaaien. Het gevolg: De rooiers haalden per direct een hogere productie. Of dat alleen aan de werknemer ten goede kwam is maar de vraag. De uitjes werden met grond en al uit de aarde geschept en op een zeef (hor) gegooid. Een huisgenoot of collega sloeg en wreef vervolgens de aarde uit de uien. Als de hor zo vol was, dat er geen ruimte meer was om te zeven, dan nam het tweetal de hor op en schudde de uien op een andere hor. Opnieuw werd de hor in schuine stand opgesteld. Handige mannen en echtparen wisten op deze manier veel uien uit de grond te halen. Ouderen, zowel mannen als vrouwen, vielen op door hun bescheidenheid en waren tevreden met hun portie. Sommigen hadden een uitzonderlijk brede riek, speciaal bij de smid laten maken, zodat ze tot een grotere productie in staat waren. Als de juunbaes had geoordeeld dat de uien droog genoeg waren, dan mochten ze in zakken worden gedaan en kwamen sterke mannen de zakken ophalen mannen de zakken ophalen 
Ze gaven deze bij elkaar op en brachten ze naar de sorteerder. Daaraan stonden de daggelders Aan het einde van deze ‘juunfiets’, die door een motor werd aangedreven rolden de uitjes krakend schoon in de zakken die werden afgewogen. Partij voor partij werden ze in zakken gedaan en afgewogen. Degene wiens partij over de sorteerder was gegaan wist hoeveel kilo op zijn naam werd genoteerd. Vóór de oorlog werden de geoogste zilveruien per schip vervoerd naar Geertruidenberg, waar ze in de omtrek met de hand werden geschild en ingelegd. Later ging het vervoer natuurlijk met vrachtauto’s. Bij Piet de Ruijter waren het de expediteurs Kees Neele (van de sjap) en Aarnoud Beurkens die in de oogsttijd werden ingezet. Naast de optrekkers waren er ook een aantal die aan de sorteerder (de juunfiets) stonden en de zakken opgebaalde uitjes er naar toe droegen. Aanvankelijk moest de werknemer zelf de zakken met uitjes op een punt brengen waar ze werden afgewogen.
Er werd dan wel eens een steekproef gedaan of je de zaak niet bedotte. De genoemde expediteurs brachten, als de blok zilveruien er uit was, de honderden juunhorren en de juunfiets naar de volgende kavel. Piet de Ruijter hielp Kees van de Sjap al voor de oorlog 1940-’45 aan middelen om een vrachtwagentje aan te kunnen schaffen. Later ging ook Aarnoud Beurkens als expediteur voor zichzelf beginnen. Hij vervoerde de afgewogen uitjes naar Geertruidenberg en omstreken. Zoals reeds genoemd werden de uitjes daar geschild en ingelegd. Met een tweede vrachtwagen van Beurkens bracht ook Bram Nelisse de uitjes naar Noord Brabant. De tijd dat men met grote groepen op het uienveld zat om te wieden en te rooien, zal niet ligt worden vergeten. De jongeren van toen zijn nu oud en velen reeds overleden. In de landbouw was er in 1950 al veel gemechaniseerd. Ook voor het met de hand rooien van de zilveruitjes kwam het einde toen in zicht. Proeven met rooimachines lieten steeds betere resultaten zien en ook de bestrijding van het onkruid met chemische middelen maakten vrouwen en jongeren met het puntmesje op het veld overbodig. Vele lezers zullen dezelfde herinneringen hebben over de juun. Sommigen zullen mij kunnen verbeteren of aanvullen, omdat het geheugen niet altijd betrouwbaar is en waar ik over schrijf zijn gebeurtenissen van vijftig jaar en langer geleden. Schroom niet en reageer! Vooral leuke anekdotes zijn van harte welkom.
 
Scroll naar boven